De hoop was het ergst

Nergens was hij te vinden toen ik net thuiskwam.

Op de schoorsteenmantel vond ik zijn brief.

Die gooi ik straks weg tussen de grijze asresten van eergisteren,

dan maak ik er die oude haard – van ons? – mee aan.

 

Hij schreef dus dat hij me bijna voelde,

te warm om zelf heet te worden.

 

Zijn huid hongerde nachten naar huid, ik verdween zo

vaak achter de heg tussen bomen, bijvoorbeeld naar de

huisartsenpost met mijn moeder. Voor mij

was hij onzichtbaar, al liep hij naakt de marathon,

zijn ware liefde wachtte op een vrouw die overbezet is.

 

De jonge knappe politica leek het zo mooi, noemde

ontbijt op bed van haar geliefde al mantelzorg. Een fractie

hoop op thuiszorg voor mama vond hij het allerergst.

 

Zijn grote letters in de afscheidsbrief over eindeloze schaduw

in beukenlanen, terwijl ik naast hem sluiks op het schermpje keek.

Hij hield zijn handen amper thuis. Dan zei ik: ‘Heel even dan’.

 

Als echte multitasker kon ik hele dagen werken en zorgen.

Onder geen voorwaarde vond ik hem goed genoeg

als hij voor mij wijn inschonk, dweilde of de afwas deed.

Vaak keek ik verstoord op zodra hij het hout aanstak.

 

Mijn moeders aanleg voor nierziekte vreet ook in mij.

Tot ik zelf doodziek ben, blijf ik haar in de watten leggen.

Een lotgenoot is zij, ik sterf het liefst voor haar,

honger ik nu vergeefs naar heengaan bij zijn vuur.

 

Reacties zijn gesloten.