De hoop was het ergst

Hij schrijft

dat hij me bijna voelde, te warm om zelf heet te worden.

Zijn huidhonger deed nachten pijn. Ik doorwaakte Eerste Hulp,

draden die ons verbonden, weer weg met voeten gebonden.

Voor mij was hij onzichtbaar, al liep hij naakt de marathon,

zijn ware liefde wachtte op een vrouw die overbezet is.

 

De jonge knappe politica leek het zo mooi, noemde

ontbijt op bed van haar geliefde al mantelzorg, fractie

hoop op ouderenhuisvesting vond hij het allerergst.

 

Afscheidsbrief over hoe een huid vol leegte kan

tintelen naast iemand die niets meer kan, veel te veel moet.

Hij hield zijn handen amper thuis, ik ging er weer vandoor.

 

Werken en zorgen, ik verdien echt geen voetstuk,

onder geen voorwaarde vond ik hem goed genoeg

als hij voor me kookte, dweilde of de afwas deed.

Keer op keer taaide hij in eenzaamheid af.

 

Mama’s aanleg voor nierziekte woekert ook in mij,

tot ikzelf doodziek ben, blijf ik haar in de watten leggen.

Zij is mijn lotgenoot, ik sterf het liefst voor haar,

honger ik nu vergeefs naar heengaan in zijn armen.

 

 

 

Reacties zijn gesloten.