Stalker

Ik huil maar niet, nu ik mijn bloedeigen man niet mag zien.

Hij blijft voor ieder toegankelijk, met mij in quarantaine. Ik

controleerde hem al maanden, bevroor als hij niet antwoordde

op mijn hints, maar wel op elke app die binnen tjilpte.

 

Het is al gênant genoeg als niemand jou in de buurt wil hebben.

Te vaak ben ik claimend. Van de week kon ik het aan mijn loopneus

wijten dat mensen met een boog van 5 meter om me heen liepen.

Lente ’20, je kunt vluchten en onzichtbaar maken dat je er niet bij hoort.

Ik huil maar niet, want hier is niemand die het zou horen.

 

Alles voelt wat dik en vast aan in mijn keel, hoe verlang

ik nu naar een veilige zomer in Abisko. Het oord van

meermaandse alleenlopers in een gebied, waar mensen over

grenzen gaan die ze zichzelf niet opleggen. Slapen in verlaten

spookhuizen met dichtgepleisterde kastdeuren. De pomp in

de verregende rotspartij klinkt onaards, net als de helikopters

die vermisten zoeken rond donkere, lugubere berg Akka.

 

Gaat het goed met mijn luchtwegen of zakt alles naar mijn longen?

Waar ik voor wegkijk is de koortsthermometer die veel te hoog staat.

Ik huil maar niet, want ik krijg bijna geen lucht meer.

Als ik wegglip, heeft mijn man voortaan de vrijheid die hij zoekt.

 

Reacties zijn gesloten.