Hooimeditatie

Tuin zo groot als een postzegel sluit me in

en af van de rest van de aarde.

Om mijn hoofd

weer de ketting die ik als klein meisje van madeliefjes reeg.

Het enige moment van mijn leven dat ik echt een meisje was.

 

Want ik ben zo wild als het Engelse raaigras dat overal groeit.

De struik met rode bladeren en doorns groeit er vrolijk boven.

 

Hoog gras in onze piepkleine stadse tuin die ik graag laat

gaan, leert me hoe je trots rechtop blijft staan.

Laat je niet wegwaaien of wegdenken. Heerlijk dat het te

lang niet is gemaaid, net als mijn haar. Het is onderkruipsel

dat eigenlijk weg moet, verdwijnen, samen met mieren

die naar binnen dreigen te lopen in hun strakke stramien.

Ik leerde ooit dat ik mensen geen groter geschenk kan

 

geven dan mijn mond te houden. Tijdens de lockdown

kan ik mezelf tenminste op mute zetten. Lang voelde ik me over-

bodig als de gestreepte witbol die gewoon doorgroeit over het

uitgedroogde rommelstro van vorig jaar met zaad er nog in

– op het eerste gezicht al dood en afgeschreven.

 

Grassigheid dat veel mensen in de keel, neus en luchtwegen jeukt,

hinderlijk aanwezig, gelijk een schermvormige berenklauw.

 

Eigenlijk moest ik als een mier in het gareel lopen. Dat

lukte niet en daarom heb ik twee jaar in een kliniek

gezeten. Enkele eeuwen terug was ik al wegens mijn lichaam

als een spriet op de brandstapel terechtgekomen.

 

De bedektzadigen ruiken kruidig na de bui van een

half uur geleden en de zon schijnt er nu op. Gras is gras

en ik ben ik, zoals het gras gras is, nu bijna fjordengroen,

zo helder beschenen. Alles waar de zon op schijnt wordt kleurig.

Bevrijd op twintig vierkante meter rust ik in slaap –

 

 

Reacties zijn gesloten.